woensdag,
07 juli 2009


    Verdriet
       mijn hart was een kraakpand


Verdriet is een gevoel. Het woont in je hart en neemt er helemaal bezit van.
Het schraapt het hart af met een rasp en verkrampt je gevoel tot pijn en niets anders dan pijn.
Mijn hart is wie ik ben en mijn hart ervaart een ondraaglijk zwaar verdriet. Ik ben verdriet, een enorme rots van pijn op twee benen.
Verdriet is niet te koop. Het dient zich gewoon aan, heeft een sleutel die het mogelijk maakt je hart binnen te stormen zonder zich zelfs maar aan te dienen.

Het maakt onmachtig en je voelt dat het een plan smeedt om de baas over je te worden. Dat is je onmachtig voelen, je bent er de baas niet meer over, het heeft bezit van je genomen en het lijkt je denken te verdwazen. Je eigen hart is je hart niet meer. Het klopt niet meer voor je zoals het altijd voor je klopte. Niet meer vertrouwd nu, doch een onaangenaam ritme als symbool van het verdriet dat er in is gaan wonen en het tot een kraakpand heeft gemaakt.

Het voelt beroerd, gemeen en scherp.
Kop op, zeggen ze. Hier is een pilletje, zegt de dokter. Ga er eens uit, zegt de buurt. Ga ‘s morgens wandelen, raadt iemand anders. Een flink eind fietsen, zegt een liefhebber, dat zal je goed doen. Maar mijn benen willen niet, er zit geen drive meer in. Ik hang te hangen en het gat voor mij is diep. Er staan geen wegwijzers en er staat geen bord ‘geniet hier’.
Mijn hart huilt zichzelf vol lange tranen. Tranen van verdriet vallen als een waterval mijn hart binnen en verlammen ieder ander gevoel dan dat van verdriet.

Mijn leven is over. Mijn hart pompt het verdriet door mijn aderen naar alle delen van mijn lichaam. Ik wordt verdriet. Mijn oogleden hangen neer, mijn wenkbrauwen somberen omlaag. Mijn mond verkrampt en verhindert te spreken. Spreek het uit, zeggen ze. Maar verdriet kan niet spreken, dat laat zich alleen voelen. Het maakt me alleen. Ik kan het niet delen. Ik zit ermee. In mij is verdriet koning en pijn koningin, verlamming haar zoon en onwilligheid haar dochter. Dit gezin gaat dood. Ik lijk het te voelen, want geen bloed, maar verdriet stroomt door mijn aderen.
Eet goed en drink veel! Het staat er allemaal, maar mijn handen zijn er niet meer. Mijn maag voelt geen honger en mijn eetlust geen trek. Eten, drinken, wandelen en denken zijn voor de gezonden. Maar ik ben niet gezond, want verdriet heerst in mijn cellen en doden mijn levensdrang. Er is gewoon geen drang meer, alleen de dwang van verdriet dat mij aanvreet en opeet.

Besta ik nog? Ben ik dit? Leef ik, of ben ik al dood? Ik weet het niet en weet ook niet hoe het te weten te komen. De spiegel weerkaatst een slome schaduw, de tv beweegt en de bladeren knisperen aan de takken. De slome draait zich om en ziet niets meer. Verdriet verblindt, zoals liefde. Je voelt niet echt meer, alleen nog slechts dat hangerige verdriet.
Herwin jezelf, roept iemand in de verte. Kop op, wordt opnieuw geraden. Maar verdriet aanvaardt geen raad. Verdriet is de baas en zelf ben je minder dan de laagste werknemer. Maar verdriet kent geen ontslag. Je hebt levenslang bij verdriet als baas.

Ik ben mijn eigen vijand. Mijn eigen hart weigert mijn gevoelens. Mijn denken verlamt mijn gedachten. Het is een cirkel waar ik niet meer uit dreig te komen. Ik wil maar kan niet en kan maar wil niet. Waar is mijn leven gebleven, waar mijn adem en waar mijn wil? Hoe houd ik mij op de been? Hoe wordt ik weer een mens en niet slechts een slome en lege afspiegeling van mijzelf ooit? Herwinnen moet, eten moet, praten moet, lachen moet, maar waar is mijn moed! Verdriet heeft geen moed, want verdriet is puur angst. Angst voor jezelf en voor alles. Ooit kon ik toch lachen? En genieten? En vrolijk zijn? Wat verhindert dit nu! Het is verdriet. Dat moet verdwijnen. Maar wie doet dat als je slechts een tranenhart met verdrietbloed hebt?

Tijd slijpt uit. Bergen verpulveren onder de dwang van tijd. Rivieren verleggen zich door tijd gedwongen. Geslacht volgt op geslacht, zoals een zoon zijn vader en het ene uur het andere.
Tijd slijpt verdriet. Traag, maar gestaag. Leen tijd van de tijd en de tijd slijpt verdriet. Een lichtpuntje, een glimmetje, iets roods en iets warms. Voorzichtig omarmen ze mij. Hebben ook een sleutel tot het hart, maar wel de originele. Lange tranen worden korter. Mijn hart voelt bloed. Het pompt en pompt en leven opent zich weer. Ik voel de geur om mij heen, en hoor het geruste van een stem. Mijn oren warmen op en geluid baant zich een weg mijn hoofd in. Mijn blik verscherpt. Ik ervaar tijd. Het is rustig stemmend. Een rode gloed dwingt mijn lichaam warm te worden. Mijn geest staat op en richt zich recht. Ik begin op te staan. Tijd sterkt mijn benen en dwingt mijn wil niet te buigen voor verdriet.

Verdriet verliest het. Langzaam, maar wel. Gelukkig.
Er komen nieuwe tranen. De vreugde ervan dient zich voorzichtig aan als de dageraad in de morgen. Mijn eigen tijd begint te lopen. Mijn cellen bollen zich. Levenskracht kruipt oppassend naar binnen. Krullen mijn lippen? Beweegt mijn tong? Wordt ik nieuwsgierig? Wil ik iets weten? Stroomt er weer tijd door mijn aderen als de rode gloed van bloed? Ga ik weer leven? Is het leuk? Van wie was die stem? Van wie die warmte? Begin ik weer te bestaan? Stroomt verdriet mijn tenen uit? Word ik weer actief? Is water weer heerlijk op mijn wangen? Hoor ik mijn stem? Mijn eigen stem? Ik denk dus ik leef? Is dit de smaak van jam op een beschuit? En koffie op mijn tong? Slik ik met genoegen en werken mijn handen weer? Pak ik mes en vork? Eet ik en drink ik? Wat wil ik meer!
Ik ben er. Hoera!

Als nieuw geboren tuig ik mijn wereld op. Ruim op. Was mijn handen. Veeg mijn mond af. Ik voel een kus op mijn wang. Ik kus in de lucht en het lucht op. Wat een heerlijk warmte! Wat een heerlijk gevoel!
Mijn hart klopt rustig. Vertrouwd. Ik voel mezelf en besluit in de tuin te gaan. Ik zie ze fladderen en hoor ze twieten. Dag buurman, zie ik iemand staan. Deze wuift. Ik wuif terug en lach naar de blauwe lucht.
Hallo aarde! Hier ben ik weer.

* - *

                   © 2009 -2010    The Fun Pub