De berustende warmte van de late middag in de nazomer had zich loom uitgespreid over het woud. Aan de rand ervan vielen zelfs de struiken bijna in sluimerstand tot er een van hen de andere in beroering bracht door luidkeels te ritselen met zijn droge stengels vol bladeren.
‘Wat is er?’ zoemde het humeurig om deze heen, ‘Wat is er?’
‘Kijk, daar komt ze weer.’ was het enige dat hij daarna zei, waarna de hele kudde struiken aan de bosrand langs elkaar heen ging gluren om ‘ze’ waar te nemen.
En ja hoor, ze kwam er weer aan.
Mevrouwtje had een stevige stap, was vlot gekleed en wandelde doelbewust het bos in. Pad in, pad af liep ze in de stille schaduw onder het donkergroene bladerdak, alsof ze wist waar zich heen te spoeden. Ze merkte niet op dat het warme woud intussen in rep en roer was op een wijze die de bomen zelfs hun takken de vogels deed afschudden. En meer hier dan daar klonk daardoor verschrikt vleugelgeklapper tussen de soms enthousiaste uitroepen van zowel jonge als bejaarde woudstammen.
‘Waar gaat ze heen?’ vroeg een jonge scheut toen eenvoudig aan een deftige plataan.
‘Mondje dicht en let maar op, kereltje.’ sprak deze terechtwijzend. En de scheut sloeg bedeesd de bladeren voor zijn stammetje.
‘Ach’, bromde een bejaarde eik tegen de plataan, ‘doe niet altijd zo hovaardig. Als je vraagt wil je wat leren, en dat valt te prijzen.’
Hierop draaide de plataan verwaand zijn bladeren de andere kant op en besloot de eerste twee jaar niet meer tot de oude eik te spreken.
‘Kijk’, zei de scheut, ‘ze blijft staan.’
Inderdaad. De dame stond midden op een wat breder pad stil en leek zich te oriënteren.
‘Ik sta hier!’ riep de inmiddels bejaarde Knoest tegen wie ze gewoon was aan te leunen om haar verhaal te vertellen. Toen ze haar hoofd bleef schudden, richtten alle bomen in de omgeving zich een beetje in de richting van de knoestige stam als om haar wegwijs te maken. Toen stak ze haar vinger op en knikte. Ze wist het weer, waarna ze zich naar de knoest begaf.
Zoals ze gewend was, sloeg ze haar armen om de dikke stam en legde haar wang tegen zijn schors.
En ‘Ooooh …’ kreunde toen het hele woud opnieuw, ‘en wij dan?!’
Even viel er een stilte.
“Je zag me zeker al aankomen, nietwaar?” zei ze plots, net of dat gewoon was.
‘ ’tuurlijk,’ antwoordde hij, ‘ik werd er reeds door al mijn stamgenoten opmerkzaam op gemaakt.’
“Dus je kent mij nog?” vervolgde ze zacht.
Maar hij zei niets voor een tijdje.
‘Man! Zeg dan ja!’ riep toen bijna het hele woud verongelijkt in zijn richting, ‘je ziet toch dat ze bedroefd is, eigenlijk.’
‘Hallo, hallo, blijven jullie eens kalm, ik ben geen psycholoog.’ verantwoordde de knoest zich.
‘Had je vragen moeten stellen.’ riep de scheut toen van achteren af, want hij herinnerde zich wat de oude eik zo-even had gezegd over vragen stellen.
‘Nou, nou, kereltje, houd jij eens braaf je mondje toe. Weet je wel tot wie je spreekt? Het is ook goed te weten wanneer iets te vragen.’ mengde een bejaarde kale spar zich tot de scheut, waarop het hele woud instemmend meebromde.
“Knoest, mijn vriend is weggelopen! Begrijp je me?”
Hij liet zijn takken hangen, want wat een verdriet wist hij. Hij herinnerde zich dat ze enkele jaren geleden een nabije knoest hadden omgezaagd en ontworteld, omdat deze te oud zou zijn geworden. De vreemde leegte erna had hij heel lang binnen zijn bast meegedragen. Hij voelde daarom diep met haar mee. Maar hij vond ook wel dat hij meer over de insteek van de situatie diende te weten.
‘Zo maar?’ zuchtte hij diep.
“En weet je waarom, knoest?” voegde ze er vervolgens aan toe.
Nou, nee. Dat was nu precies wat hij wilde weten.
“Heb je enig idee van de reden?!” hield ze aan, om zichzelf als het ware al in het gelijk te stellen.
Het woud hield de adem in, en van spanning, en uit nieuwsgierigheid.
De bomen van het woud werden niet teleurgesteld, noch door het antwoord, noch door de opmerkelijkheid ervan.
“Hij wilde trouwen.”
‘Wat!!??’ wilde het woud verschrikt begrijpen.
“Ja, hij wilde met me trouwen. Snap jij dat nou?”
De knoest bracht zijn gedachten op dit moment niet onder woorden.
Hij had de moderniteit het woud zien binnenkomen en dat had hem er niet geruster op gemaakt. Vroeger kwamen ze lachend de boslanen aflopen, gezellig kletsend, hollend of roepend, terwijl ze elkaar achterna zaten. Nu zag hij bijna iedereen beladen met apparatuur en af en toe met luid lawaai omringd en soms onrespectvol voor zijn soortgenoten afval naast hen achterlatend een snel pad volgen. ‘Een bos ruimt zichzelf op, maar wat bezoekers achterlaten blijft liggen, wist hij. Hoe ouder ik ben, hoe ervarener toch.’ meende hij alsnog. Daarom dacht hij een ietsje verontwaardigd hardop:
‘Wat is daar dan mis mee?’
De jonge vrouw vervolgde:
“Hij wil met me trouwen, maar dan moet hij me toch strelen en aaien, zeggen dat hij me lief vindt en me kussen en z’n hand door m’n haar halen, en… en .., nou ja, je weet wel.”
Toen klapten alle woudbewoners met alles wat ze hadden luid applaudisserend in het rond. Ze waren het er volkomen mee eens.
“En dat doet hij maar niet.” klonk haar stem bedroefd.
De knoest vroeg zich af wat er hier eigenlijk aan de hand was.
‘Waarom doet hij dat dan niet, terwijl hij wel met je wil trouwen?’ ritselde hij met zijn bladeren.
“Hij kan dat ook niet, knoest, want hij kan niet uit die webcam komen.” verzuchtte zij toen.
Nou moe!, verbaasde zich het woud.
‘Tja, moderniteit. Ik dacht al zo iets.’ mompelde hij voor zich uit.
‘Spreek dan met hem af, dommerd!’ klonk er opeens een dappere opmerking.
Het woud richtte massaal met opgetrokken wenkbrauwen haar aandacht op de spreker, nota bene de jonge scheut, die daardoor rood aanliep en bedeesd z’n bladeren liet hangen.
‘Mannen,’ sprak de knoest, voor iemand iets kon zeggen, ‘de scheut heeft gelijk.’
“Maar ja, mijn knoestig vertrouwde boomstam, ik weet nu wel wat je wil zeggen. Ik denk dat ik dat ga doen.”
‘En wat zou dat zijn?’ verwonderde deze zich.
“Wel bedankt voor het luisteren weer, knoest. Je bent een fijn oor. Ik weet wat ik ga doen.”
“Ik ga gewoon een afspraak met hem maken.”
Daarop hieven de woudstammen hun stevige takken de lucht in en knisperden instemmend met hun bruinkleurend gebladerte, vol lof over de wijze oplossing die hun oude knoest had aangedragen.
‘Maar ik was het toch?’ mopperde de scheut nog met verontwaardigde grote ogen.
‘Ja, jongen,’ gaf de bejaarde eik hem rustig commentaar, ‘ik waardeer je jeugdige onbevangenheid, kerel, maar helaas moet je ook de ervaring opdoen dat de wereld geen sprookje is.’
* _ *